Geschiedenis
Het ‘Waterhuys’ of Brouwershuis is gebouwd in 1553 – 1554 door projectontwikkelaar en urbanist Gilbert Van Schoonbeke. Het voorzag de brouwerijen in de Nieuwstad (16e-eeuwse stadsuitbreiding binnen de vesten) van ‘zuiver’ water afkomstig uit het Schijn.
Dóór de vesten werd het water geleid naar de brouwersbuis, waarvan de toegang zich nu nog bevindt onder de Ankerruiplaats, en die naar het kelderreservoir van het Brouwershuis leidde. De nog intacte rosmolen dreef het raderwerk aan waarmee water werd opgeschept in dat kelderreservoir en vervolgens op de verdieping in het buitenreservoir werd uitgestort. Van daaruit werd het via een (in oorsprong houten) buizenstelsel verdeeld over de 16 aangesloten brouwerijen.
In 1562 is de stad eigenaar geworden van het “Waterhuys’ en vanaf 1581 vergaderde de brouwersgilde in het pand dat daarna ‘Brouwershuis’ genoemd werd.
De installatie is rond 1856 deels gemoderniseerd met onder meer hydraulische pompen om de capaciteit van de rosmolen te verhogen. Het Brouwershuis deed dienst als waterverdeelcentrum tot in 1930.
In 1933 werd de erfgoedsite als museum heropend, als onderdeel van de Commissie van Steen, Vleeshuis en Brouwershuis. Al in 1942 werd het gebouw beschermd als monument. Tussen 1958 en 1960 heeft een eerste restauratiecampagne plaatsgevonden. In 1999 sloot het museum de deuren ter voorbereiding van de huidige totaalrestauratie.
Het Brouwershuis heeft werelderfgoedwaarde omdat het getuigt van het universele belang van toegang tot zuiver water in duistere en troebele tijden. Er bestaat geen tweede brouwershuis, zeker niet één dat nog intact is en in de toekomst opnieuw operationeel zal zijn.